Afbeelding waarschuwingsborden ATEX stofexplosie

Met ingang van 20 april 2016 moeten alle explosieveilige machines voldoen aan de nieuwe richtlijn 2014/34/EU, beter bekend als ATEX 114. De bestaande ATEX 137 wordt tegelijkertijd ongewijzigd omgedoopt in ATEX 153.  Werklocaties waar kans is op stofexplosies, moeten sinds 1 juli 2003 voldoen aan de wettelijke ATEX-richtlijnen. Deze veiligheidseisen gelden ook voor feeders wanneer deze explosieve poeders doseren.

Brandbare stoffen

Hoe fijner de poeder, des te makkelijker het brandt. Samen met voldoende zuurstof en een ontstekingsbron vormt dat hét recept voor een explosie. Denk aan een vonkje van twee metalen delen die tegen elkaar komen. Of in een valpijp waar hele fijne poederdeeltjes langs elkaar dwarrelen en elkaar statisch laden. Dit risico bestaat onder meer bij pvc- of suikerpoeder.

Veilige werkomgeving met ATEX

Om de veiligheid en de gezondheid van werknemers te waarborgen op locaties met explosiegevaar, is de bedrijfsrichtlijn 1999/92/EG in het leven geroepen. Deze is beter bekend als ATEX 137. (m.i.v. 20 april 2016 : ATEX 153). De richtlijn verplicht werkgevers onder meer een risico-inventarisatie te maken en een zoneringsplan op te stellen die inzicht geven in het explosiegevaar per zone. Dat geldt zowel voor de omgeving (uitwendig) waarin de machines staan, als voor de totale proceslijn (inwendig). Dat houdt in dat doseerunits en feeders moeten voldoen aan productrichtlijn 94/9/EG, ofwel ATEX 95 (m.i.v. 20 april 2016: 2014/34/EU en ATEX 114)

Zone-indeling

De wet onderscheidt drie zone-indelingen. Zone 20 kent het grootste risico op stofexplosie. Dit geldt wanneer er meer dan 1.000 uur per jaar een wolk van brandbaar stof aanwezig is. Zone 21 is gemiddeld, hierbij kan een wolk van brandbaar stof tussen de 10 en 1.000 uur per jaar aanwezig zijn. Is dat minder dan 10 uur per jaar, dan geldt het lichtste risico: zone 22. De werkgever bepaalt welke zone van toepassing is. Tussen de inwendige en uitwendige zonering mag maximaal één stap worden overgeslagen.

Feeders op maat

Vrijwel alle feeders van Brabender Technologie zijn aan te passen op de zones 20, 21 en 22.
Solids Process Solutions weet wat daarvoor nodig is en zal diverse vragen stellen, zoals:

  • Wat is de inwendige en uitwendige zone?
  • Wat is de minimale ontstekingsenergie van het te doseren product?
  • Wat is de temperatuur binnen de feeder?
  • Op welke temperatuur begint het product te smeulen?
  • Is het product elektrisch geleidend?

Op basis van de antwoorden wordt de feeder aangepast op zaken als: de aandrijving, motorsturing, PTC-thermistorevaluatie-unit en motorbeveiligingsschakelaar, loadcell, klemmenkasten, en diverse mechanische onderdelen. Alles ter eliminatie van mogelijke ontstekingsbronnen.

Meer informatie?

Rob van Buitenen,  SPS  |  Solids Process Solutions weet wat nodig is om feeders aan te passen aan ATEX 114, zodat u kunt voldoen aan de wettelijke richtlijnen.
t: +31 (0) 33 453 23 22
e: rob@spssolutions.nl